Zondag 8 maart 2026
Derde zondag veertigdagentijd A
Eerste lezing:
Exodus 17, 3-7
Evangelielezing:
Johannes 4, 5-42
“Is de Heer nu bij ons of niet?” De vraag die het joodse volk aan Mozes stelt is best te begrijpen. Mozes heeft hen weggeleid uit Egypte en hen een mooie toekomst beloofd, in een land van melk en honing. Maar jarenlang zwerven ze in de woestijn, waar ze van dorst dreigen te sterven. Dan hadden ze het nog beter in Egypte, daar was nog eten en drinken. Mozes wordt er kwaad van, hij vraagt zich af wat hij met dat volk moet aanvangen. Maar God wordt niet kwaad, het is alsof hij het morren van zijn mensen begrijpt, en hij geeft een teken: hij doet water uit een rots stromen. Wie ooit in Israël of een van de buurlanden was, kent dat fenomeen: watervallen die uit rotsspleten komen. Het heeft inderdaad iets wonderbaarlijks. “Water” is in de Bijbel trouwens vaak het symbool van leven. Dat is niet verbazend, de Bijbelse mens leeft in een woestijngebied. Water hebben of niet is een kwestie van leven of dood. Dat is anders dan bij ons, wij draaien gewoon de kraan open.
Maar de vraag “is de Heer nu bij ons of niet?” herkennen wij natuurlijk wel, maar al te goed zelfs. Want ook ons leven verloopt niet altijd zoals wij het gedroomd hadden. Soms valt het zelfs zwaar tegen. Ook bij ons komt die vraag dan wel eens. We hebben zo vaak gehoord dat God altijd bij ons is, en we willen dat graag geloven, maar we voelen het niet altijd. Eerlijk gezegd, soms vraag ook ik me af waar God is.
Als christen geloven wij dat we God kunnen zien in Jezus, in wat hij zei en hoe hij leefde. Maar ook de mensen in Jezus’ tijd herkenden hem vaak niet, zoals die Samaritaanse vrouw in het evangelie van vandaag. Jezus komt soms heel bescheiden in ons leven. Hij voert niet altijd het grote woord, zoals wij mensen dat graag doen. Hier is het zelfs omgekeerd, hij zet zich aan de bron en hij vraagt om wat water. De vrouw is verbaasd over zijn vraag, en ze raken in gesprek. “Je herkent mij niet, je beseft niet wie ik ben”, zegt Jezus, “ik kan jou levend water geven”. “Jij, hoe dan?” vraagt de vrouw, “je hebt niet eens een emmer bij”. En maar heel geleidelijk begint ze te begrijpen wat die man in haar leven kan betekenen, en vraagt ze hem haar dat levend water te geven. Want dat is wat God kan, en Jezus in Hem, ook voor ons. Ook ons leven is soms zwaar en dor, en dan verlangen wij naar God, willen wij zijn aanwezigheid proeven. Dan kan dat woord van Jezus heel veel betekenen. Het gaat er maar om uit welke bron wij in dit leven willen drinken.
“Zoals een hert verlangt naar stromend water”, zegt de psalm, zo verlangen wij heel diep in ons hart naar wat God alleen ons kan geven. Wij verlangen naar God omdat Hij ons zo geschapen heeft, als zijn mensen. “Gij hebt ons gemaakt naar u toe”, zei Augustinus, “en onrustig is ons hart tot het rust vindt in U”. Dat is onze diepste geloofsbelijdenis: dat God ons diepe vrede kan geven en zacht geluk, nieuwe moed, en de vaste hoop dat alles goed komt voor onszelf, onze geliefden en alle mensen op deze wereld. De kracht die God ons kan en wil geven, borrelt dan op in ons, zijn aanwezigheid in ons hart is een onuitputtelijke bron van leven. “Is de Heer nu bij ons of niet?” Ja, medechristenen, de Heer is bij ons, ook als wij het niet echt ervaren, en wij zijn bij Hem, hier en nu, altijd, elke dag, heel ons leven lang. Amen.
Dirk Godecharle
