Preek van de week

Wellicht hebben jullie al wel eens ‘blinden’ ontmoet. Je kan ze meestal herkennen aan de blindgeleide hond of de witte wandelstok die ze bij zich hebben. Ze zijn vaak aangewezen op de liefdevolle nabijheid en zorg van medemensen. Zo heb ik het geluk om vrijwilligerswerk te doen bij de Vereniging van Blinden en Slechtzienden (Vebes).
Wat mij onder andere treft bij het beluisteren van hun verhalen, is dat je een onderscheid moet maken tussen enerzijds mensen die aanvankelijk goed zien met hun ogen en geleidelijk aan of soms plots blind worden én anderzijds mensen die vanaf hun geboorte blind zijn. We kunnen het ons moeilijk
voorstellen wat het betekent blind te zijn, niets te zien en alles te moeten voelen en betasten met je handen.
Ook het evangelieverhaal dat we zojuist hebben beluisterd, gaat over een man die vanaf zijn geboorte blind is. Zijn ogen zijn voorgoed gesloten. Hij leeft voortdurend in duisternis en is gedoemd om heel zijn leven lang niets te zien. Totdat hij Jezus ontmoet, die op de grond spuwt, met het speeksel slijk maakt en daarmee de ogen van de man bestrijkt. Plots worden zijn ogen geopend. Hij kan zien… ongelooflijk! Het wordt dag en licht ook voor hem. Hij krijgt de kans om ten volle mens te worden.
Wanneer we zo’n genezings- of wonderverhaal uit het evangelie beluisteren, bestaat het gevaar dat we enkel en alleen onze aandacht richten op het wonder dat Jezus doet en niet doordringen tot de dieperliggende boodschap. In het Johannesevangelie doet Jezus heel wat wondertekenen en telkens doet Hij dit opdat mensen tot geloof zouden komen. Zo is het zien van de blinde meer dan een louter zien met menselijke ogen, het is vooral een zien met de ogen van het geloof.
Wat dan vooral opvalt in dit verhaal van de genezing van de blindgeborene is de groei van het geloof van die man in Jezus. Als zijn buren en omstaanders hem aanvankelijk vragen wie hem genezen heeft, antwoordt hij: ‘de man die Jezus heet’, méér weet hij nog niet, alleen maar een naam. Later, als de farizeeën, de religieuze leiders hem vragen wat hij denkt van de man die Jezus heet, gaat hij het al beter zien en zal hij zeggen: ‘Hij is een profeet.’ Hij zet hem dus in de rij van de profeten uit de geschiedenis van zijn volk. Tenslotte komt hij oog in
oog te staan met Jezus en ziet hij in Hem ‘de Mensenzoon’! Nu pas gelooft hij in Jezus de Christus en hij werpt zich voor Hem neer en aanbidt Hem.
Wat nog opvalt in de meeste genezingsverhalen is dat de naam van de genezene niet vermeld wordt. Ook hier gaat het over ‘een’ man die blind was van zijn geboorte af. Wie deze man feitelijk historisch is geweest, interesseert de auteur blijkbaar niet. Hij maakt er een ‘voorbeeld-verhaal’ van, met de bedoeling de lezers uit te nodigen zichzelf in deze blindgeborene te herkennen. De blinde is ieder mens, iedere christen, die de weg gaat van ongeloof naar geloof, van Jezus ‘niet zien’ naar Jezus ‘wél zien’.
Lieve mensen, ook wij worden uitgenodigd om die geloofsweg van de blindgeborene t bewandelen. Jezus die hem het gezicht schonk, kan ook onze ogen openen voor wat écht de moeite waard is in het leven. Hij kan ook van ons vrije mensen maken die de werkelijkheid met nieuwe ogen bekijken, met de ogen van het geloof, en ons uitdagen om mee te werken aan Gods droom: gerechtigheid, vrede en heelheid van de schepping.
Dit vraagt echter dat we ons bekeren, dat we werkelijk leven als nieuwe mensen, die het in Jezus gezien hebben, die van harte in Hem geloven, die Hem uiteindelijk herkennen en belijden als de Mensenzoon, de Gezondene van God en die Hem aanbidden. Die geloofsgroei wensen we mekaar van harte toe!

Peter Dierckx