Preek van de week

Vandaag horen we twee krachtige lezingen die allebei over leven uit de dood spreken. Ik heb hierover pas lesgegeven in mijn 5e jaars en dit lokte – natuurlijk- allerlei vragen uit, vaak heel terechte, soms hele pittige die me tot op de grens brachten van spreken en niet meer kunnen spreken, uitleggen en niet meer kunnen uitleggen… En dat is heel begrijpelijk. Hier wordt in dubbele lagen gesproken: er wordt gesproken over biologisch leven, maar ook over een dieper leven dat God schenkt wanneer alles verloren lijkt. En dat gaat voorbij aan wetenschappelijke en menselijke termen, zoveel was wel duidelijk in mijn pogingen tot heldere antwoorden… 

In de eerste lezing horen we de profeet Ezechiël. Ezechiël, een priester die met de eerste groep joden naar Babylon werd gevoerd, spreekt tot een volk dat zich ‘dood’ voelt: de Israëlieten leven in ballingschap, hun land is verwoest, hun tempel ligt in puin, hun toekomst lijkt afgesloten. En het volk zegt in zijn wanhoop: “Onze hoop is vervlogen.”

 En precies daar klinkt Gods woord: “Ik ga uw graven openen… Ik zal u uit uw graven halen, mijn volk.” Het volk leeft zonder hoop, zonder toekomst, ja zonder adem. En God zegt dat hij zijn geest in hen zal leggen, zijn adem in hen zal blazen, opdat zij weer levend worden. Hierbij denken we misschien spontaan aan het scheppingsverhaal, waar God zijn levensadem inblaast in de eerste mens. De mens is een totaal uniek scheppingsonderdeel en hij krijgt Gods ruach, de wind die in beweging zet en leven doet ontstaan, persoonlijk mee. Deze ‘ruach’ zullen we later ook in het pinksterverhaal tegen komen.

 God zegt hier dus niet tegen zijn volk: help uzelf, probeer er zelf maar uit te komen. Nee… zij krijgen Gods levende en bewegende kracht mee. Wat een hoopvol gebeuren!

Het verhaal van Lazarus in het evangelie van Johannes is een van de meer opmerkelijke verhalen uit dit evangelie. Jezus komt aan in Betanië en zijn vriend Lazarus ligt al vier dagen in het graf. Dat betekent: een onomkeerbare en definitieve dood. Alles is voorbij, er is geen weg terug, de hoop is vervlogen. Marta zegt tegen Jezus: “Heer, als Gij hier geweest waart, zou mijn broer niet gestorven zijn.” We herkennen ons zeker in die uitspraak: ‘als dit niet gebeurd was…’ ‘als het leven anders gelopen was…’ ‘als God mij geholpen had…’ Een zin die niet alleen ongeloof, maar vooral ook pijn en verdriet uitdrukt.

En dan gebeurt er iets bijzonders. Het evangelie zegt: “Jezus huilde.” Het is de kortste zin van dit Johannesevangelie, maar misschien ook de diepste en meest treffende. Jezus is geen superman. Hij ervaart vreugde, maar ook pijn en verdriet. Zo is het ook met God. God staat niet boven ons lijden; Hij kijkt niet onbewogen toe. God weent met de mens. Ons verdriet en onze pijn raakt God. Het lijden is niet op te heffen, maar we mogen weten en voelen dat God met ons staat, ook en zeker te midden van ons lijden.

Maar opnieuw gaat dit hand in hand met een hoopvol gegeven. Tegen Marta zegt Jezus iets dat tot het hart van het evangelie behoort: “Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven.” Jezus zegt van zichzelf niet alleen dat hij leven geeft, maar ook dat hij het leven is. Waar Jezus is, daar begint het leven opnieuw. Ja, net zoals de droom van het Rijk Gods is verrijzen niet iets van ‘ooit’ en ‘na de dood’ of ‘toekomst’, maar verrijzen gebeurt nu al. Elke keer wanneer mensen hoop vinden, vergeving vragen of ontvangen, uit de wanhoop recht krabbelen, liefde (her)vinden… daar zien we al sporen van verrijzenis.

En dan komt het beslissende moment: Jezus geeft de opdracht om de steen weg te rollen. Jezus had dat zelf kunnen doen. Zelf de handen uit de mouwen steken. Maar zo werkt het niet… ook niet met het Rijk Gods. Jezus vraagt het aan de mensen, om die steen weg te rollen. Wij zijn de handen en de voeten die gevraagd worden om mee te werken. En daarvoor moeten wij durven de handen uit de mouwen te steken. Ons misschien vuil maken of moeite doen. Een steen kan gezien worden als eender wat dat in de weg ligt op ons pad naar hoop en verrijzenis: angst, wantrouwen, bitterheid, koppigheid, ongeloof… God kan ons het leven schenken, maar wij moeten bereid zijn die stenen weg te rollen.

Dan roept Jezus met luide stem naar Lazarus en beveelt hem om buiten te komen. En zie: daar komt Lazarus, nog in zijn grafdoeken gewikkeld. Hij is nog gebonden of ingebonden… Jezus vraagt dus om Lazarus los te maken. Ook dat kan een taak zijn voor ons, christenen. Wij worden geroepen om mensen te zijn die elkaar helpen los te maken van schuld, van een vorig leven, van schaamte, van wanhoop, van figuurlijke wegen ten dode. Wij worden geroepen om voor anderen een plaats of mensen te zijn waar men opnieuw kan ademen!

Inderdaad: het wonder van Lazarus is een voorafspiegeling van Pasen. Net zoals Jezus’ kruisdood:  het topmoment van lijden is eigenlijk voor christenen het grootste moment van hoop geworden! Juist in zijn eigen graf zal het grootste wonder gebeuren en zal de steen weggerold worden en zal er nieuw leven zijn! Dat is de kern van het christelijk geloof.

In dit evangelie horen we Jezus één vraag stellen aan Marta, een vraag die ook aan ons gericht is: “Gelooft gij dit?” Niet: begrijp je dit of is dit wetenschappelijk mogelijk? Maar: geloof jij dat God leven kan brengen waar alles dood lijkt? Want het laatste woord van God wil er geen zijn van wanhoop, dood of het graf, maar… hoop, leven, verrijzenis. Of zoals Ezechiël zegt: “Ik zal mijn geest in u leggen… en gij zult leven.” Wat een heerlijke gedachte: na de dood is het NIET gedaan, wij kunnen hoopvol en liefdevol in het leven staan, want de dood heeft niet het laatste woord. Of zoals Luc Ferry het zegt: ‘la promesse de la résurrection libère l’amour’. Een christen kan eindeloos, wild, genereus liefhebben en hoopvol in het leven staan, want de dood heeft niet het laatste woord. Wij zullen leven. Amen.

Sara Van Gucht