Zodag 14 juni 2026
11de zondag door het jaar A
Eerste lezing: Exodus 19, 2-6a
Evangelielezing: Mattheus 9, 36 – 10, 8
Broeders en zusters in de Heer,
Na de Vasten en de Paastijd pikken we terug in op de tijd door het Jaar, tot aan de Advent.
Vandaag, op de 11de zondag door het jaar, mochten we horen hoe Jahwe in de eerste lezing, via Moses, aan de Israëlieten laat weten dat zij een bijzonder volk zijn voor Hem, door Hem uitverkoren. Vooreerst verwijst God naar wat Hij reeds voor hen gedaan heeft en zo het verbond heeft onderhouden. Nu is het aan Israël om dit verbond met Hem te bewaren. God laat niet na aan te geven dat alle volkeren Hem toebehoren, Israël neemt hierin een bijzondere plaats in en zo zal het ook blijven. Dit zijn de teksten waarop het jodendom zich nog steeds beroept, zowel religieus als politiek;
In het evangelie van Mattheus laten we verschillende hoofdstukken voor wat ze zijn, 8 en 9 vertellen over de verschillende genezingen die Jezus verrichtte. Hoofdstuk 7 verwijst onder andere naar valse profeten. We begonnen de lezing met de laatste regels van hoofdstuk 9, een algemene verwijzing naar zijn “leerlingen” waarin hij zegt: “De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig! Vraagt daarom de Heer van de oogst arbeiders te sturen om te oogsten.”
De volgende regels komen reeds uit het volgende hoofdstuk 10. Hierin verwijst Mattheus, als verslaggever van Jezus, voor het eerst naar apostelen (in de betekenis van “gezondenen”), met naam genoemd. Die twaalf krijgen dezelfde taken toegewezen die alle leerlingen, dus ook wij, toegewezen krijgen. Hij herhaalt ook dat zij moeten doen wat Hijzelf gedaan heeft. Mattheus noemt hen twee aan twee, want twee aan twee werden zij gezonden. En wie is er heden ten dage geroepen, ook daar kunnen we ze twee aan twee vernoemen: de bisschop en zijn vicaris, de deken en de pastoor, de diaken en de parochie-assistent, de pastorale werker en allerlei parochiale medewerkers of gaat het nog verder?
Velen van ons kregen het geloof met de paplepel ingegeven. Het paste helemaal in het culturele patroon van de na-oorlogse jaren. Er was niets geks aan. Als je theologie wilde studeren, dan werd dat zelfs prachtig en idealistisch gevonden. Intussen is de tijd veranderd en kritische vragen doken op. Het kerkbezoek begon te verminderen, het was in onze contreien over zijn top gegaan kort na het tweede Vaticaans Concilie. Slechts een generatie later was het uitzonderlijk als je naar de kerk gingen, sport en cultuur kregen een belangrijker plaats. Je werd zelfs als een seut bekeken als je nog naar de kerk ging, om nog maar te zwijgen over pesten en gepest worden.
Het werd en wordt steeds moeilijker om vrijwilligers te vinden om mee te helpen in de kerk of bij catechese. Als je dan de laatste woorden van het evangelie vandaag er even bijhaalt: “Voor niets hebt gij ontvangen, voor niets moet gij geven!” Wie wil er vandaag nog iets doen als er geen vergoeding tegenover staat? Waar vind je nog zo iemand, die uit overtuiging en idealisme de rol van herder op zich wil nemen?
En toch, die eerste twaalf hebben iets op gang gebracht dat verder uitgezaaid moet worden. Het veld is intussen zo groot als de ganse wereld. Er is op zovele plaatsen gezaaid, maar is er al, of nog, iets van die oogst te zien? Zijn er genoeg arbeiders om te zaaien en te oogsten?
Een zestal weken geleden, op roepingenzondag, hoorden wij het verhaal van de goede Herder. Ook toen werd gekeken naar wie die rol in de toekomst wil overnemen. Mattheus neemt de moeite om de twaalf te vernoemen, zij vertegenwoordigen de twaalf stammen van Israël. Zo geeft hij aan dat het ganse godsvolk gezonden wordt. Toen was die opdracht om de blijde boodschap uit te dragen over gans Israël, vandaag krijgen we de opdracht dit te doen over de ganse wereld.
Ieder van ons is geroepen tot apostel, tot gezondene en tot priester, tot drager van Gods liefde. Wij krijgen allen die opdracht om Gods rijk nabij te brengen, te beginnen in onze eigen omgeving, daar waar wij leven, heel dichtbij. Daar mogen wij mensen van alle aard of eigenheid nabij zijn, net als goede herder. Jezus riep de twaalf en roept ook ons. De oogst is groot, mogen wij, ieder op onze eigen manier een goede arbeider zijn en zo die blijde boodschap uitdragen.
Jozef Van Der Wildt
