Homilie 25 januari 2026
Gebedszondag voor de eenheid der christenen
Eerste lezing: Efeziërs 4,1-13
Evangelielezing: Mattheus 4,12-23
Jezus is pas gedoopt door Johannes de Doper in de Jordaan, en hij wordt al geconfronteerd met een zware crisis. Johannes is door Herodes gevangen genomen, het zal daar met hem trouwens niet goed aflopen. En, wellicht met veel anderen, moet Jezus uitwijken van de buurt van Jeruzalem, naar zijn geboortestreek. Daar vestigt hij zich niet in Nazareth waar hij vandaan kwam, maar in Kafarnaüm, een stadje aan de oevers van het meer, waar veel vissers woonden.
Waarom daar, in dat “heidense gebied”? De evangelies, die natuurlijk na de dood en de verrijzenis van Jezus geschreven zijn, vinden een antwoord waar gelovige mensen in die tijd én vandaag elk antwoord op hun vragen zoeken: in de Heilige Schrift. Ze vinden er de prachtige tekst van Jesaja, over een licht dat straalt over mensen die wonen in een land van doodse duisternis. En ze herkennen die Schriftwoorden in de manier waarop ze Jezus ervaren hebben, van wie ze nu ten volle beseffen dat hij de Christus is, de zoon van de Levende God. In hem is ook over hun leven het licht opgegaan Die ervaring maakte het zo geloofwaardig en aantrekkelijk als die Jezus hen opriep om hem te volgen, en zelfs onmiddellijk.
“Ik verkondig jullie een vreugdevolle boodschap” zei de engel in het kerstverhaal aan de herders. Het is die vreugdevolle boodschap die Jezus nu belichaamt, dat alleen kan de reden zijn waarom die vissers aan het meer zo vlot alles achterlaten en hem volgen. Want Jezus is de vleesgeworden Blijde Boodschap, die alle kwalen en kwetsuren van het volk kan genezen. Veel eerder nog dan een waarheid of een plicht, goede mensen, is het geloof dat alle christenen op deze wereld delen een grote vreugde. Het is goed voor een mens om te geloven, geloven maakt gelukkig en maakt ons zeker minder eenzaam, want het opent ons hart voor alle mensen.
De boodschap die Jezus verkondigde wordt in het hart van ieder van ons de roeping die wij van God ontvangen hebben, schrijft Paulus aan de Efesiërs. Het is de roeping om te leven in deemoed en zachtheid, in moed die duurzaam is en duurzaam maakt, liefdevol elkaar verdragend.
Het is die roeping die we boven alles beleven in de eenheid met elkaar, door de band van de vrede. Liefst zeven keer na elkaar benadrukt Paulus die eenheid: één lichaam, één geest, één hoop, één Heer, één geloof, één doop, één God en Vader van allen. Door die eenheid te bewerken vervult Christus het heelal.
Wij christenen verschillen van elkaar in de gaven die we ontvingen, in de engagementen die we kunnen en mogen opnemen, in onze eigen bijdrage aan de volheid in Christus die deze wereld draagt. Maar net doorheen al die verschillen en eigenheden komen we allen samen tot de diepe eenheid die het geloof in Gods Zoon tot stand brengt.
Medechristenen, als we vandaag bidden om eenheid onder de christenen, gaat het niet om één aspect van ons leven als gelovige. Het gaat om de diepe kern. Alleen door Christus in die eenheid te volgen, kunnen wij in woord en daad zijn lichtdragers zijn. Zijn Licht kan blijven stralen, als wij mensen worden in zijn spoor: levend in het licht van God en samen, als een levende geloofsgemeenschap, delend in zijn liefde en zijn warmte.
Alleen zo komt zijn Koninkrijk nabij. Amen.
Dirk Godecharle
