Zondag 9 augustus 2026
19de zondag door het jaar A
Eerste lezing: 1 Koningen 19, 9a. 11-13a
Evangelielezing: Mattheus 14, 22-33
Als je de lezingen van deze 19de zondag door het jaar naast elkaar legt, is er eigenlijk maar via één woord een verband te maken: storm! Maar de context van beide lezingen is radicaal verschillend.
In de eerste lezing staat de profeet Elia centraal maar hij is er slecht aan toe: met recht en rede vreest hij voor zijn leven en hij vraagt Jahwe zelfs om hem te laten sterven. Daarop wordt hij door een engel aangepord om toch niet op te geven en de tocht naar de berg Horeb aan te vatten – en dat is de plaats waar hij door Jahwe wordt bezocht. Er volgen dan 4 beschrijvingen die we in de lezing hoorden: een verwoestende storm, een zware aardbeving, een hevig vuur telkens gevolgd door de nogal nuchtere mededeling “maar in de storm, in de aardbeving, in het vuur was Jahwe niet!” De vierde beschrijving is heel anders van aard want dan hoort Elia “het stille suizen van een zachte bries” – en hij vertrouwt erop dat dit het teken is van Jahwe’s aanwezigheid. Hij bedekt zijn gezicht als teken van eerbied en verlaat de grot waarna Jahwe hem een opdracht geeft. En voor wie verder wil lezen… let op: een halve bladzijde later druipen moord en doodslag er helaas weer vanaf.
In het evangelie van vandaag is de context waarin ‘storm’ een rol speelt grondig verschillend. Het volgt op het teken van de broodvermenigvuldiging maar het contrast is meteen ook groot: volgens Matteüs stuurt Jezus zijn leerlingen in de boot weg en gaat Hijzelf in afzondering bidden. Wat volgt kan je als een scenario voor een film beschrijven maar het wordt pas echt spannend als je de tekst uit Matteüs van vandaag legt naast de bijna gelijkaardige tekst in het evangelie volgens Marcus in hoofdstuk 6. De gelijkenissen maar evenzeer de verschillen zijn veelzeggend…
De gelijkenissen: 1° het wordt avond en nacht en de leerlingen in de boot krijgen het moeilijk want de wind zit tegen en zij moeten tegen hoge golven oproeien; 2° midden in de nacht wandelt Jezus naar de boot maar de leerlingen raken in paniek en schreeuwen het uit van angst: “het is een spook!”; 3° Jezus spreekt tot de leerlingen met precies dezelfde woorden in Matteüs en Marcus “Heb moed, Ik ben het, vrees niet!”; 4° Jezus stapt in de boot en de wind gaat liggen. Maar dan, de verschillen: 1° volgens Marcus ziet Jezus dat de leerlingen in moeilijkheden zijn en gaat Hij daarom naar hen toe; 2° na de bemoedigende woorden van Jezus is het alleen in Matteüs dat Petrus op de voorgrond komt en hij vraagt om over het water naar Jezus toe te komen – en deze zegt eenvoudigweg “Kom”. Petrus gaat dan over het water naar Jezus, raakt bevreesd, begint te zinken en smeekt Jezus om hem te redden. Zoals we hoorden gebeurt dat ook, maar meteen volgt een stevig verwijt “Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?” Het contrast is hier enorm: eerst spreekt Petrus zijn geloof uit in Jezus “Heer, als U het bent…” maar te midden van de bevestiging hiervan als hij over het water naar Jezus toe gaat, slaat zijn geloof om en begint hij te zinken. “Kleingelovige…” – in het Grieks staat er “Wat een gebrek aan vertrouwen!” En dan is er nog een laatste verschil tussen Matteüs en Marcus – 3°: volgens Matteüs stappen Jezus en Petrus in de boot, de wind gaat liggen en de leerlingen knielen neer voor Jezus en belijden hun geloof met de woorden: “Waarlijk, U bent Zoon van God”. Maar in Marcus is er helemaal geen geloofsbelijdenis maar alleen een soort sprakeloosheid: “De leerlingen stonden zeer verstomd”.
Wat valt hieruit te leren? De gelijkenissen en verschillen tonen hoe de evangelisten telkens hun eigen geloofsinterpretatie van Jezus brengen, zelfs als zij op het eerste gehoor hetzelfde verhaal opschrijven. Matteüs is het te doen om zelfs via de omweg van het wankelende vertrouwen van Petrus te bevestigen dat de leerlingen wel degelijk geloven in Jezus als Zoon van God. Maar Marcus volgt een andere piste: zijn evangelie is tot halverwege terughoudend met uitspraken over wie Jezus is. Het zogenaamde Messiasgeheimnis breekt bij hem pas open op het kantelpunt in hoofdstuk 8 met de vragen “Wie zeggen de mensen dat Ik ben?” met eerst diverse antwoorden (Johannes de Doper, Elia, een profeet) en dan de vervolgvraag “En gij, wie zegt gij dat Ik ben?” met het beroemde antwoord van Petrus “Gij zijt de Christus!”
Tot slot: te midden van bittere polarisatie in kerk en wereld reikt de Schrift ons ook het vertrouwen aan om nuance en verscheidenheid te waarderen. Of we nu op de berg Horeb zijn of op een woelige zee, de belofte van de Blijde Boodschap is geen monoliet maar een netwerk van mensen met hun twijfels en angsten maar ook met hun vertrouwen in verbondenheid – gisteren, vandaag en met Gods zegen ook morgen en alle dagen van ons leven. Amen.
Jan Jans
