Zondag 23 augustus 2026
21ste zondag door het jaar A
Eerste lezing:
Jesaja 22, 19-23
Evangelielezing:
Mattheus 16, 13-20
Er zijn van die momenten in het leven waarbij iemand een vraag aan jou stelt en je weet… er hangt zoveel af van het antwoord dat ik nu ga geven… Een vraag die niet gewoon naar wat informatie peilt, maar waarin je jezelf moet blootleggen, waarin je kleur moet bekennen… Een vraag waarop een standaardantwoord niet volstaat. In het evangelie van vandaag horen we Jezus exact zo’n vraag stellen.
Hij start met een redelijk veilige opstapvraag: “Wie zeggen de mensen dat ik, de Mensenzoon, ben?” Je kan dan spreken over de mening en uitspraken van anderen. Je koppelt terug wat je hebt gehoord op straat, in gesprekken. Jezus krijgt dan ook heel wat antwoorden. Johannes de Doper, Elia, Jeremia of een van de profeten… De mensen hebben duidelijk bewondering voor Jezus en hebben door dat hij bijzonder is, zonder evenwel echt te begrijpen wie hij werkelijk is. Eigenlijk verschilt dat niet zoveel van hoe mensen vandaag over Jezus denken. ‘Een groot mens.’ ‘Een vredesstichter.’ ‘Een revolutionair.’ ‘Een wijze profeet of inspirerend leraar.’ ‘Een luis in de pels.’ Ons idee over Jezus wijzigt wellicht ook naargelang wat wij meemaken in ons leven. In onze kindertijd geloven we misschien eerder in een toverachtige figuur die macht bezit om mensen op hun wenken te bedienen. Bij alle engagementen en verantwoordelijkheden als volwassenen, leren we Jezus misschien eerder als bemoedigende tochtgenoot waarderen. Terwijl zieken, hulpbehoevenden of ouderen misschien eerder focussen op de lijdende Christus en daarin een stukje van hun pijn, verdriet of lijden herkennen. Maar het christelijk geloof gaat verder dan al die stukjes bij elkaar. Christenen geloven dat Jezus niet zomaar iets belangrijks heeft gezegd of gedaan, maar dat hij de Zoon van de levende God is. En dat is precies wat Petrus uitspreekt wanneer Jezus doorvraagt: “Wie zeg JIJ dat ik ben?” Petrus antwoordt: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.” Petrus kijkt voorbij de menselijke verschijning van Jezus en herkent in hem Gods aanwezigheid zélf. Jezus vertegenwoordigt de zichzelf gevende en dienstbare liefde, de kracht van ons bestaan. En wanneer je dat erkent, wanneer je dat geloof belijdt… is dat ook tegelijk een engagement. Namelijk dat je in Jezus’ voetsporen treedt in de concrete keuzes van elke dag, telkens opnieuw en je zo inbedt in dat bezield engagement van Christus zelf. Want geloof is geen publieke opiniepeiling, maar een persoonlijke relatie.
Het antwoord van Jezus is opvallend en benadrukt dat Petrus dat niet uit zichzelf weet, maar dat God de Vader dit aan hem heeft geopenbaard. Geloof is immers niet louter een menselijke prestatie. We kunnen bidden, studeren, nadenken, filosoferen, rituelen uitvoeren… maar daarmee komen er niet. Dat is een belangrijk gegeven om voor ogen te houden in deze tijd. Vandaag vertrouwen we sterk op menselijke controle en intellect. Ieder probleem kan opgelost worden, met kennis en technologische vooruitgang. Zo denken we… Maar al te vaak blijkt dat dit vooruitgangsoptimisme verpulverd wordt onder de realiteit. Zo is het ook met het goddelijke. De diepste mysteries van God laten zich niet beknotten of veroveren, zij worden ontvangen. Geloof is geen eigendom. We ontvangen het dagelijks in genade.
En dan gebeurt er iets bijzonders. Jezus geeft Simon een nieuwe naam. In Bijbelse termen betekent dat een nieuwe roeping, denk maar aan Abram die Abraham werd of Jakob die Israël werd. Petra betekent ‘steen’ of ‘rots’. Jezus openbaart aan Petrus via zijn nieuwe naam de kern van zijn persoonlijkheid en levensopdracht: ‘rots zijn’ waarop de kerkgemeenschap kan bouwen. Bijzonder, want Petrus is zeker geen perfecte man. Hij begrijpt Jezus vaak niet, reageert impulsief, twijfelt, is bang, verraadt hem zelfs. Tegelijk hoopvol! God werkt niet met perfecte mensen, maar met beschikbare mensen. God roept mensen mét hun zwakheden. Mozes stottert, Jeremia is te jong, David rijdt een scheve schaats, Jona gaat lopen… En toch zijn die zwakheden geen hinderpaal voor Gods genade: God blijft doorheen deze imperfecte mensen werken en vertrouwt hen een zending toe.
Vervolgens zegt Jezus: “Ik zal u de sleutels geven van het Rijk der hemelen.” In de oudheid waren sleutels, net als vandaag soms, symbool van gezag en verantwoordelijkheid. Hier is de link met de eerste lezing heel duidelijk. Sebna verliest zijn functie en wordt vervangen door Eljakim. Eljakim krijgt de sleutel van het huis van David, het symbool van de rentmeester van het koninklijk huis. De rentmeester is een bijzondere vertrouweling van de koning, iemand die het gezag kreeg om in naam van de koning op te treden. Een bijzondere opdracht van dienstbaarheid en verantwoordelijkheid. En die opdracht krijgt Petrus nu van Christus. Petrus krijgt geen macht… hij wordt gevraagd om te dienen! Geen prestige, maar herderschap. Geen dominantie, maar dienstbare liefde. Gelukkig rust zijn taak, net als het christendom zelf, niet op menselijk succes, maar op de rots van de goddelijke openbaring.
Keren we terug naar de oorspronkelijke vraag: “Maar gij, wie zegt gij dat ik ben?” Een vraag die duidelijk niet beantwoord moet worden met woorden, maar met ons leven, met onze keuzes, met het dagelijkse antwoord in doen en laten op het vertrouwen dat God ons geeft… Geen theoretisch geloof, maar een persoonlijk geloof in dienstbaarheid, in zelf-gevende liefde. Wij hebben als gelovigen sleutels gekregen om de deuren van Gods liefde voor anderen te openen. Laat ons daar met zorg een aandacht mee omgaan, uitgaande van de basishouding: “U bent de Christus, de Zoon van de Levende, in mijn leven.”
Sara Van Gucht
