Preek van de week

De lezing uit het evangelie volgens Matteüs van deze zondag doet wellicht toch even opkijken: wat is dat nu voor een brutale taal en een oordeel? Je zou kunnen denken dat het erom gaat dat de relatie met Jezus boven alles staat en dat al de rest daaraan ondergeschikt is.
Dit is toch echt ‘anders’ in vergelijking met wat Hij ons in de Bergrede voorhield – en indien niet: wat kunnen we dan hiermee? Wel, laten ons eens proberen!
Vooreerst: de lezing heeft een directe samenhang met het evangelie van de twee vorige zondagen en is het slotgedeelte van de zogenaamde ‘zendingsrede’. Twee weken geleden hoorden we hoe Jezus zijn leerlingen twee-aan-twee uitzendt om te verkondigen dat het Rijk der Hemelen op handen is en dat zij zich op deze zendingstocht geen zorgen dienen te maken over hun levensonderhoud: wie de boodschap aanvaardt, die zorgt ook voor de verkondigers ervan. Vorige week werd de toon al wat anders – en meer donker: de verkondiging wordt geen ‘walk in the park’ maar de leerlingen krijgen de waarschuwing mee dat zij vervolgd kunnen worden. Maar meteen is er ook de toezegging dat ze hier niet bang voor moeten zijn want deze belofte wordt gevolgd door te wijzen op de verbinding tussen Jezus en de Vader die in de
hemel is: wie Jezus bij de mensen belijdt zal ook erkenning krijgen van de Vader.
De lezing van vandaag gaat enerzijds nog een stap verder door het contrast tussen het beminnen van vader of moeder, zoon of dochter en het beminnen van Jezus: dààr lijkt het echt op aan te komen! Maar anderzijds is ‘meer beminnen’ niet een rechtstreekse vergelijking in de zin van ‘meer’ en ‘minder’ maar gaat het om beminnen in een andere orde. Het beminnen van de directe huisgenoten staat in een horizontale orde, maar het beminnen van Jezus is alleen te verstaan indien men de relatie tussen Jezus en de Vader voor ogen houdt – een verticale orde dus. Dat komt ook goed uit de verf in het vers over het opnemen: eerst gaat het over hen die de leerlingen opnemen – dat is opnieuw de horizontale orde – en daarmee ook Jezus opnemen: hier ontmoeten de horizontale en de verticale orde elkaar. En deze ontmoeting wordt doorgetrokken naar de Vader: “wie Mij opneemt, neemt Hem op die Mij
gezonden heeft”. En dan volgen bij wijze van besluit drie voorbeelden over de samenhang tussen het doen van het goede en het gepaste loon. Let wel: ‘loon’ is niet te verwarren met wat er op een loonstrookje staat – daar gaat het over een contractuele verhouding, een uitbetaling voor geleverde arbeid of diensten. Maar bij Matteüs gaat het niet over een contract maar over relaties tussen mensen die hun diepe betekenis verkrijgen vanuit die relatie zelf. Een profeet
opnemen omdat het een profeet is; een deugdzaam mens opnemen omdat die deugdzaam is; een beker koud water geven aan iemand omdat deze een leerling is… Hieronder ligt opnieuw de verhouding horizontaal-verticaal: het goede dat gebeurt tussen mensen bevat zijn eigen beloning en die reikt tot bij de Vader die in de hemel is.
Nog enkele woorden over de eerste lezing. In de boeken der koningen gaat het vooral om Salomo en diens voorganger David, maar even belangrijk zijn de profeten die hier een rol spelen: Natan, Elia en de profeet uit de lezing van vandaag: Elisa. De tekst die we hoorden is wat ongewoon in deze boeken want op de meeste bladzijden druipt het bloed ervan af. Maar deze tekst is anders en gaat niet over een koning – of over iemand die probeert om koning te
worden – maar over de profeet Elisa en een rijke vrouw in Sunem (een stad in het zuiden van Galileä). Zij nodigt de profeet uit om bij haar te komen eten en merkt op dat deze gast een heilige man Gods is. Daarom laat zij een kamer voor hem bouwen en zoals we hoorden maakt Elisa daar ook gebruik van om te rusten. Dit is overigens een woordspeling op de naam van de stad want Sunem betekent ‘rustplaats’. De profeet is duidelijk getroffen door deze goede
zorgen en zoekt hoe en wat hij voor haar kan doen. De vrouw zelf vraagt niets maar de profeet belooft haar dat zij een kind, een zoon, zal krijgen. Haar reactie doet aan Sara, de vrouw van Abraham denken, die bij het horen van een soortgelijke belofte in eerste instantie wat lacht:
hoe zou dat kunnen want de echtgenoten worden ‘oud’ genoemd… Toch wordt de belofte waarheid en krijgt de Sunammitische vrouw een zoon. Hier is er een soort echo van het evangelie over het opnemen van een profeet en het daarbij passende loon ontvangen. Maar, nog eens, niet in de zin van het zich houden aan een gemaakte afspraak of een contract – hoe belangrijk dit ook kan zijn – maar als een ‘surplus’, als een ‘om niet’ zoals de leerlingen het bij hun zending hebben meegekregen. Zulks ‘om niet’ is volgens Matteüs een bouwsteen van het Rijk de Hemelen – een ‘om niet’ dat ik ook ons allen mag toewensen.
Amen.

Jan Jans