Zondag 2 augustus 2026,
18de zondag door het jaar A
Eerste lezing: Jesaja 55,1-3
Evangelielezing: Mattheus 14, 13-21
In de lezingen van vandaag hoorden we twee heel herkenbare beelden: dorst en honger. En als we dieper luisteren, of de teksten nog een herlezen, merken we dat het niet alleen gaat over lichamelijke dorst en honger, maar ook het verlangen ‘de dorst’ van het hart en de voeding ‘de honger’ van de ziel.
Jesaja roept het volk toe: “Komt allen die dorst hebt, komt naar het water.” Het is een uitnodiging zonder voorwaarden. Geen geld nodig, geen verdienste, geen perfecte staat van leven. God zegt eenvoudig: Kom. Ik wil je geven wat je nodig hebt.
We begrijpen dat Jesaja spreekt tot een volk dat moe is, uitgeput, onzeker over de toekomst. Precies daar, in die kwetsbaarheid, klinkt Gods stem: “Luister naar Mij, dan zullen jullie leven.”
God nodigt uit tot vertrouwen, tot rust, tot een nieuwe start. Hij wil zijn volk voeden, niet alleen met woorden, maar met nodige dingen om van te leven: water, melk.
In het evangelie zien we Jezus die zich terugtrekt na het verdrietige nieuws over Johannes de Doper. We lezen in de zin voorafgaand aan het evangelie van vandaag, dat Hij verneemt dat zijn leerlingen Johannes begraven hebben. Hij zoekt rust en stilte, maar de mensen vinden Hem. Ze komen met hún dorst en honger: honger naar genezing, naar troost, naar richting.
Jezus krijgt medelijden. Hij ziet hun nood, hun verlangen, hun kwetsbaarheid.
De leerlingen willen de mensen wegsturen. Maar Jezus zegt: “Geven jullie hen maar te eten.”
Het lijkt onmogelijk: vijf broden en twee vissen. Maar Jezus vraagt niet wat ze niet hebben. Hij vraagt wat ze wel hebben. En dan gebeurt het wonder. Van brood en vis, vermenigvuldigd en rondgedeeld, daarvan konden meer dan vijfduizend mensen hun honger stillen. Niet alleen hun lichaam werd gevoed, maar ook hun vertrouwen, hun hoop, hun besef dat God hen niet vergeet.
Want in dat eenvoudige gebaar – brood breken, vis delen – laat Jezus zien wie God is: Een God die maaltijd wil houden met zijn volk. Een God die niet op afstand en onbereikbaar blijft, maar heel nabij mee aan tafel wil zitten, midden tussen mensen, midden in hun zorgen en hun verlangen. Daarvan mogen wij leven. Een God die ons voedt, om elkaar – wie we ook zijn –nabij te zijn en Gods gulle liefde te delen en elkaar te voeden. De overvloed van God kan er maar zijn als wij ons kleine beetje durven geven.
De maaltijd van brood en vis is geen verleden tijd. Ze gebeurt telkens wanneer wij delen wat we hebben, telkens wanneer we ons laten raken door de nood van anderen, telkens wanneer we samenkomen rond het Woord en het Brood dat Hij ons geeft en dat we delen met mekaar.
Beide lezingen vertellen hetzelfde verhaal: God wil ons voeden. God wil overvloed brengen waar wij tekorten zien. Maar ze vertellen ook iets anders: God rekent op ons. Niet omdat we zoveel hebben, maar omdat we bereid zijn het weinige dat we hebben te delen. Het kleine dat we hebben – tijd, aandacht, een luisterend oor – kan in Gods handen groot worden. Of, doen zoals Jezus in het evangelie van vandaag: niet wegkijken, maar aanwezig blijven bij de nood van anderen.
De evangelist vertelt dat er twaalf manden overschot waren. Dat is geen detail. Het is een duidelijk teken: Wie geeft vanuit vertrouwen, ontvangt overvloed!
Jesaja en Jezus zeggen samen: “Kom. Breng wat je hebt. Vertrouw. En je zult leven.”
We worden uitgenodigd om te luisteren naar de dorst, het verlangen, in ons hart. Mogen we ontdekken wat we kunnen delen, hoe klein ook.
En mogen we ervaren dat God, die maaltijd wil houden met zijn volk, ons werkelijk voedt met leven, met liefde, met overvloed.
Charel Verhoeven
